Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 januari 1994
Alinea 13 Parket bij de Hoge Raad 14 januari 1994
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 januari 1994, ECLI:NL:PHR:1994:4.
3. [eiser] heeft onder aanvoering van drie grieven appel ingesteld. Bij tussenvonnis van 26 juli 1990 geeft de Rechtbank een eindbeslissing met betrekking tot [eiser] beroep op de exceptio non adimpleti contractus; het beroep is daarbij verworpen. Overwogen wordt dat bovengenoemd art. 3.1 van de huurovereenkomst dat beroep uitsluit; de wanprestatie van [eiser] is daarmee gegeven, zodat de conventionele vordering door de Kantonrechter terecht is toegewezen, aldus de Rechtbank in haar tussenvonnis. De Rechtbank laat [eiser] bij dit tussenvonnis wel toe de door hem gestelde wanprestatie te bewijzen; zij acht [eiser] bij eindvonnis in dat bewijs geslaagd. Bij dat eindvonnis van 5 november 1992 overweegt de Rechtbank dat zij gebonden is aan haar in het tussenvonnis gegeven eindbeslissing. Voorts overweegt zij dat [eiser] reconventionele vordering tot ontbinding moet worden afgewezen omdat niet is gebleken dat [eiser] [verweerder] in gebreke heeft gesteld. Vervolgens wordt voorop gesteld dat zulks onverlet laat dat [eiser] schade kan hebben geleden die voor vergoeding in aanmerking komt, en dat [eiser] terecht heeft gesteld dat hij in zijn huurgenot is beperkt doordat lekkages zijn ontstaan ten gevolge van de slechte toestand van het dak en doordat door de vorige huurder goe deren in het pand zijn achtergelaten, zoals meubilair, tapijtstellingen, lichtreclame en vloerbedekking. Uiteindelijk komt de Rechtbank echter tot de slotsom dat de door [eiser] gevorderde schadeposten niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat het causale verband tussen de [verweerder] verweten wanprestatie en de vermeende schadeposten ontbreekt. De Rechtbank heeft verder nog vastgesteld dat partijen ten tijde van de ondertekening van de huurovereenkomst en het tijdstip van oplevering van het pand op de hoogte waren van de plannen van de gemeente Apeldoorn om een stadhuis te bouwen op de plaats waar op dat moment het litigieuze pand stond. In dat verband overwoog zij dat de mogelijkheid dat de gemeente Apeldoorn tot sloop zou besluiten reëel was en bij partijen bekend, alsmede dat [eiser] bij brief van 4 december 1987 aan [verweerder] heeft laten weten het onnodig te achten te investeren in zowel de reparatie van de gebreken als de verbouwing van het pand in het kader van zijn geplande vestiging van een restaurant, nu immers onderhandelingen met de gemeente begonnen waren. De Rechtbank bekrachtigt het vonnis van de Kantonrechter met verbetering van de gronden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/39dfebc9849c7eb639ec8a9156d0c836d179a4125830092665bdfb65fc8cfc0c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 39dfebc9849c7eb639ec8a9156d0c836d179a4125830092665bdfb65fc8cfc0c, en de alinea staat in dat document op bytes 6300 tot 8871.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/39dfebc9849c7eb639ec8a9156d0c836d179a4125830092665bdfb65fc8cfc0c | shasum -a 256