Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 oktober 1994
Alinea 6 Parket bij de Hoge Raad 6 oktober 1994
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 oktober 1994, ECLI:NL:PHR:1994:5.
2. Beoordeling van het middel. 2.1. In beide onderdelen van het middel wordt opgekomen tegen r.o. 4.5 van het Hof, waarin het Hof overweegt: " De vader heeft gesteld dat de dochter mede onderhouden kan worden door de moeder en de stiefvader. De dochter woont in het gezin van haar moeder en stiefvader. Zij heeft onweersproken gesteld, dat haar moeder geen inkomen heeft. Weliswaar is de stiefvader op grond van art. 1:392 BW mede gehouden de dochter te onderhouden, doch in dit geval is de vader allereerst gehouden een bijdrage te verstrekken, nu tussen kinderen en ouders een nauwere verwantschap bestaat dan tussen kinderen en stiefouders. Slechts indien de draagkracht van de vader onvoldoende is, dient de stiefvader bij te dragen (art. 1: 397 BW) ." 2.2. Onderdeel 1 2.2.1. In onderdeel 1 van het middel wordt betoogd dat hetgeen het Hof hier als een algemene regel formuleert, rechtens niet juist is: het stelsel van de art. 1:392, 395, 395a en 397 BW brengen, zo wordt gesteld, voor het geval meer personen op grond van bloed- of aanverwantschap tot het verstrekken van onderhoud zijn gehouden, geen rangorde van alimentatieplichten met zich. 2.2.2. De wetgever heeft de vraag of 'de wettelijke alimentatieplicht van de stiefouder niet subsidiair diende te zijn aan die van de ouders ouders' uitdrukkelijk onder ogen gezien, maar ontkennend beantwoord, zie de passage uit de Nota van wijziging Invoeringswet Boek I, weergegeven door Van Zeben, Parl. Gesch. Invoeringswet Boek 1, blz. 1442/3 (zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Moltmaker voor HR 22 april 1988, NJ 1989, 386 m.nt. E.A.A. Luijten, Asser/De Ruiter/Moltmaker, Personen- en familierecht, 14e dr. 1992 nr. 1032 en 1092 en E.A.A. Luijten, Het Nederlandse personen- en familierecht, dl. 1, 1991 blz. 87). Wel kan, als meer personen een onderhoudsbijdrage moeten leveren, rekening worden gehouden met 'de verhouding, waarin een ieder tot de gerechtigde staat' (art. 1:397, lid 2 BW), maar dan gaat het om een beoordeling van de betrekkingen in het concrete geval; die bepaling kan niet als basis dienen om alle stiefouders of stiefvaders in beginsel achter te stellen bij de ouders. Deze klacht is derhalve gegrond. 2.3. Onderdeel 2. 2.3.1. Het tweede onderdeel bevat een subsidiaire klacht: zou de door het Hof bedoelde voorrang van ouders boven stiefouders (althans: boven stiefvaders) slechts in dit geval gelden, dan heeft het nagelaten aan te geven op welke omstandigheden die rangorde is gebaseerd. 2.3.2 Deze klacht komt eerst aan de orde als zou worden aangenomen dat het Hof zijn bestreden overweging slechts voor dit geval heeft bedoeld. De gebruikte terminologie geeft daar geen aanleiding toe, maar als het oordeel in die zin zou worden verstaan, dient de klacht te slagen: Uit de beschikking blijkt niet welke feiten en omstandigheden het Friese college tot dit oordeel hebben gebracht.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bf8cbc0124411a02d4dbe2eb6fb80005b4d5881a3515a98dfbe89e69af6578cb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bf8cbc0124411a02d4dbe2eb6fb80005b4d5881a3515a98dfbe89e69af6578cb, en de alinea staat in dat document op bytes 7043 tot 10198.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/bf8cbc0124411a02d4dbe2eb6fb80005b4d5881a3515a98dfbe89e69af6578cb | shasum -a 256