Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 december 1995

Alinea 13 Parket bij de Hoge Raad 5 december 1995

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 december 1995, ECLI:NL:PHR:1995:1.

3. Het Europees perspectief blijft in deze zaak naar mijn mening buiten beeld, doordat al aan een motiveringseis van het nationale bewijsrecht niet is voldaan. Voor zover het middel over een gebrek in de bewijsmotivering klaagt houd ik het voor gegrond. Ik licht mijn standpunt als volgt toe. Uit enige ongerijmdheden in en naar aanleiding van verzoeksters verklaring aan de politie, ongerijmdheden die met verzoeksters alibi te maken hebben, en vervolgens uit bewijsmiddel 13 (de verklaring van brigadier [verbalisant]) én uit de omstandigheid dat verzoekster voor de constructie van het vals gebleken alibi geen aannemelijke verklaring heeft gegeven, leidt het hof af dat verzoekster uit eigen wetenschap het exacte tijdstip, waarop tegen het slachtoffer geweld is gepleegd, moet hebben gekend (arrest, p. 31). In samenhang met de overige bewijsmiddelen leidt dit, zo overweegt het hof verder, "tot geen andere conclusie dan dat de verdachte de haar telastegelegde doodslag heeft gepleegd". Het hof verbindt een, in twee trappen verlopende, conclusie aan (een vergelijking van) de inhoud van enige van de gebezigde bewijsmiddelen, maar in de nadere bewijsoverweging maakt het hof niet duidelijk wat de rechters nu precies hebben waargenomen. Nu ervan moet worden uitgegaan dat het hof verzoeksters beroep op het zwijgrecht via de eigen rechterlijke waarneming voor het bewijs heeft gebruikt (een andere mogelijkheid is er bewijstechnisch gezien niet), lopen in de nadere bewijsoverweging waarneming en waardering zo door elkaar dat de gedachtengang ondoorzichtig is geworden. De rechter, die aan zijn -in vonnis of arrest beschreven- waarneming, conclusies verbindt, moet buiten twijfel stellen "waar de waarneming eindigt en zijn conclusies beginnen" (Corstens, Handboek 2e druk, p. 600). Het is duidelijk dat de rechter hierdoor sterk is beperkt in het gebruik van het door de rechter waargenomen zwijgen van de verdachte voor het bewijs(5). Maar dat is om twee redenen onvermijdelijk. In de eerste plaats staat een beslissing van de rechter om het zwijgen van de verdachte tegen deze te laten werken op gespannen voet met het recht dat in art. 29 eerste lid, tweede volzin, Sv aan de verdachte is toegekend. In de tweede plaats mag niet via het bewijsmiddel van de eigen waarneming van de rechter een niet voor het bewijs bruikbaar onderdeel van, bij voorbeeld, de verklaring van de verdachte in de bewijsconstructie worden opgenomen (J.F. Nijboer, Strafrechtelijk bewijsrecht, 2e druk, p. 221).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/af24c3093e6114c547dcc0be9f36c56a1fc855769acfbf21a84eebf9fbbee054. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt af24c3093e6114c547dcc0be9f36c56a1fc855769acfbf21a84eebf9fbbee054, en de alinea staat in dat document op bytes 8726 tot 11240.