Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 december 1995
Alinea 8 Parket bij de Hoge Raad 5 december 1995
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 december 1995, ECLI:NL:PHR:1995:1.
1. In deze zaak is -opnieuw (zie HR 3 oktober 1995, in DD te publiceren onder nr. 96.040)- de vraag aan de orde of de verdragsaanspraak op een fair hearing zich ermee verdraagt dat de rechter ook de mededeling van de verdachte dat hij zich op het hem toekomende zwijgrecht (art. 29 eerste lid, tweede volzin, Sv) beroept, voor het bewijs mag gebruiken. Het verschil tussen HR DD 96.040 en deze zaak is dat de feitenrechter in DD 96.040 ten laste van de verdachte voor het bewijs heeft gebruikt het politie-proces-verbaal met de verklaring van de verdachte dat hij zich op zijn zwijgrecht beroept (het bewijsmiddel dus van art. 344 eerste lid aanhef en onder 2° Sv), terwijl het hier gaat om het zwijgen van verzoekster ten overstaan van de rechter op de terechtzitting. Zo'n, op de zitting gedane, mededeling kan niet als "verklaring van de verdachte", bedoeld in art. 339 eerste lid aanhef en onder 2° Sv, gelden. Daaronder wordt immers verstaan
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/af24c3093e6114c547dcc0be9f36c56a1fc855769acfbf21a84eebf9fbbee054. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt af24c3093e6114c547dcc0be9f36c56a1fc855769acfbf21a84eebf9fbbee054, en de alinea staat in dat document op bytes 5563 tot 6524.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/af24c3093e6114c547dcc0be9f36c56a1fc855769acfbf21a84eebf9fbbee054 | shasum -a 256