Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 september 1995

Alinea 124 Parket bij de Hoge Raad 18 september 1995

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 september 1995, ECLI:NL:PHR:1995:15.

43. Wel attendeer ik de Hoge Raad erop dat deze door mij onbesproken gelaten vraag in de literatuur in uiteenlopende zin wordt beantwoord (zie voor een overzicht T&C Strafvordering, aant. 13 bij art. 1, aant. 1b bij art. 27 en aant. 4–5 op art. 2 Politiewet, p. 1448). Vgl. in dit kader enerzijds de reeds aangehaalde opvattingen van Cleiren en Corstens en anderzijds het standpunt van Knigge in Leerstukken van strafprocesrecht, 2e druk blz. 12. Laatstgenoemde is van mening dat de regeling van de artt. 141–142 Sv weliswaar niet machtigt tot het maken van inbreuk op welk grondrecht dan ook (daarop wijzen ook de bijzondere wettelijke voorzieningen op het stuk der vrijheidsbeneming, huiszoeking, etc.) maar wel tot aantasting van het recht op privacy waar die inbreuk in de opsporing ‘’als het ware is ingebakken’’ en dus daaraan ‘’min of meer inherent’’ is. Voor wat de rechtspraak betreft kan worden gewezen op EHRM NJ 1995, 509 nt Kn (Murray) en het civiele arrest HR NJ 1995, 400 nt EAA en HJS die het standpunt van Knigge lijken te steunen. Dat zou betekenen dat art. 8 EVRM niet zo ruim mag worden uitgelegd dat elke opsporingsactiviteit waarbij het recht op privacy in het gedrang komt van een bijzondere wettelijke grondslag zou moeten zijn voorzien. Verdedigbaar is dat zulks niet anders is indien het optreden van de politie niet is gebaseerd op de artt. 141–142 Sv maar op de Politiewet. Meer concreet zou dit betekenen dat ook in de pro-actieve fase inbreuk mag worden gemaakt op het privacy-recht, indien zulks inherent is aan de gehanteerde methode van informatiegaring en mits het niet gaat om privacy-aspecten die zich hebben ‘’verdicht tot een zelfstandig, afzonderlijk geformuleerd grondrecht (huisrecht, briefgeheim, telefoongeheim)’’ (Knigge, a.w., blz. 12); zie over de beperkingsmogelijkheden ex art. 8 lid 2 EVRM voorts Akkermans/Koekkoek, De Grondwet, 2e druk, blz. 243, Fijnaut, De normering van het informatieve onderzoek in constitutioneel perspectief (preadvies voor de Nederlandse vereniging voor rechtsvergelijking nr. 49), blz. 30 ev, en Corstens, Normatieve grenzen van opsporingsmethoden, DD 1995, blz. 553.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a6aae069529059e447b82b1210ad14683c02741728b7ee803704eedbbe7b4789. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a6aae069529059e447b82b1210ad14683c02741728b7ee803704eedbbe7b4789, en de alinea staat in dat document op bytes 58854 tot 61046.