Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 september 1995

Alinea 14 Parket bij de Hoge Raad 18 september 1995

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 september 1995, ECLI:NL:PHR:1995:15.

Ik kan me niet onttrekken aan de gedachte dat de stellers der middelen dit keurslijf te knellend hebben gevonden; dat zou namelijk kunnen verklaren waarom zij op tal van punten met nieuwe (feitelijke) stellingen komen en/of een heel andere wending geven aan de gevoerde verweren. Toch is dat geen reden om af te wijken van de cassatieregel dat in dit stadium van het geding geen acht kan worden geslagen op stellingen en verweren die niet overeenstemmen met hetgeen in de laatste feitelijke aanleg is aangevoerd; zie ook de noot van Van Veen onder HR NJ 1979, 495. Niet voor niets heeft de Hoge Raad enige malen de waarschuwing doen uitgaan dat degene die een gevoerd verweer in ongeschonden staat aan de cassatierechter wil voorleggen, zich in de feitelijke instanties van een pleitnota moet bedienen (zie Cassatie in strafzaken, derde druk, blz. 226). Na deze vooropstelling acht ik mij ontslagen van de verplichting bij de bespreking der verschillende, telkens zeer uitvoerig toegelichte, middelen uitgebreid aan te geven welke onderdelen of -deeltjes afstuiten op deze regel.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a6aae069529059e447b82b1210ad14683c02741728b7ee803704eedbbe7b4789. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a6aae069529059e447b82b1210ad14683c02741728b7ee803704eedbbe7b4789, en de alinea staat in dat document op bytes 5607 tot 6700.