Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 september 1995

Alinea 188 Parket bij de Hoge Raad 18 september 1995

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 september 1995, ECLI:NL:PHR:1995:15.

7. Het in 1993 tevens gewijzigde art. 125g Sv vormt het spiegelbeeld van art. 139c Sr hetwelk aan de bescherming van het telefoongeheim horizontale werking geeft, aldus MvT blz. 26, van wetsvoorstel 21551. De MvT lijkt daarmee uit te gaan van de opvatting dat de burger dezelfde beperkingen in acht heeft te nemen als de overheid waar het gaat om de waarborging van het telefoongeheim, met als keerzijde dat de politie evenveel mag als de burger is toegestaan. In deze zin ook reeds E. Myjer, Over de tap, NJCM-bulletin 1989, blz. 543, die in dat verband wees op de straffeloosheid van het afluisteren van de politiemobilofoon (HR NJ 1982, 609). Zie in dit verband ook de MvA bij het (inmiddels in de koelkast geplaatste) wetsvoorstel tot regeling van het opnemen van gesprekken met een technisch hulpmiddel (bijv. een richtmicrofoon; Hand. II 1992–1993, 23047 nr. 6 blz. 2) waar wederom de vrijheid van de ether wordt benadrukt en waar voorts gesproken wordt over de(on)mogelijkheid het afluisteren van het politie-radioverkeer te verbieden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a6aae069529059e447b82b1210ad14683c02741728b7ee803704eedbbe7b4789. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a6aae069529059e447b82b1210ad14683c02741728b7ee803704eedbbe7b4789, en de alinea staat in dat document op bytes 95083 tot 96141.