Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 september 1995
Alinea 199 Parket bij de Hoge Raad 18 september 1995
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 september 1995, ECLI:NL:PHR:1995:15.
12. Die stelling is te herleiden tot de door het hof gedeelde opvatting dat te dezen art. 8 EVRM toepasselijk is. Naar ik meen is dat oordeel onjuist. De waarborgen die deze bepalingen biedt, komen mijns inziens eerst in beeld, indien de betrokkene zijnerzijds genoeg heeft gedaan om daadwerkelijk in aanmerking te komen voor de bescherming van zijn ‘’private life and correspondence’’. Die bescherming kan echter niet worden ingeroepen door iemand ten aanzien van wie niet blijkt dat hij beoogd heeft zijn gedragingen binnen het domein van zijn privé-leven te houden. Indien iemand — bijvoorbeeld — op luide toon op hoeken van straten en pleinen privézaken bespreekt of zijn brieven in ongesloten enveloppen verzendt, kan hij zich niet met vrucht beroepen op de garanties van art. 8 EVRM. In diezelfde lijn ligt mijns inziens de draadloze telefonie, omdat de gebruiker van een zender/ontvanger (oftewel een mobiele telefoon) kan en moet beseffen dat anderen — dus ook de politie — zijn gesprekken kunnen afluisteren. Daarvoor wordt niet alleen bij de aanschaf doch tevens in de elk jaar verschijnende telefoongids (zie bijv. de editie voor Den Haag e.o. 1994, blz. 5) gewaarschuwd. Door desondanks gebruik te maken van een draadloze telefoon, geeft men naar mijn mening zijn aanspraak op bescherming van het recht op privacy ex art. 8 EVRM prijs. Het gebruik van een dergelijk apparaat leidt er immers toe dat de gesprekken worden overgebracht via de vrije ether. Dat impliceert dat de gebruiker willens en wetens het risico neemt dat die gesprekken meer oren bereiken dan misschien in zijn bedoeling lag. Bij die stand van zaken moet worden aangenomen dat zo iemand de kans van afluisteren op de koop van het grotere gemak toe neemt, zodat — indien deze kans werkelijkheid blijkt te zijn — dat afluisteren niet bestreden kan worden met een beroep op art. 8 EVRM. Die bepaling ziet immers op situaties waarin betrokkene onbevangen zichzelf wil of moet kunnen zijn; vgl. HR NJ 1987, 928, NJ 1995, 400 en NJ 1992, 50 en in het bijzonder de noot van Corstens. Bij draadloze telefonie doet zich dat geval niet voor. Zie in dit verband ook de rechtspraak over gegevens die anderszins buiten het bereik van het telefoongeheim zijn terecht gekomen, bijvoorbeeld omdat in geval van een vaste lijnverbinding de hoorn niet goed op de haak lag (HR NJ 1989, 864 en NJ 1994, 563). Gewezen kan ook nog worden op HR NJ 1982, 158 (art. 40 WVW niet strijdig met art. 8 EVRM omdat het deelnemen aan het verkeer geen onderdeel vormt van het privéleven) en NJ 1992, 50 (filmopnamen van een — openbare — demonstratie).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a6aae069529059e447b82b1210ad14683c02741728b7ee803704eedbbe7b4789. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a6aae069529059e447b82b1210ad14683c02741728b7ee803704eedbbe7b4789, en de alinea staat in dat document op bytes 101428 tot 104067.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/a6aae069529059e447b82b1210ad14683c02741728b7ee803704eedbbe7b4789 | shasum -a 256