Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 september 1995
Alinea 200 Parket bij de Hoge Raad 18 september 1995
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 september 1995, ECLI:NL:PHR:1995:15.
In deze visie had een gebruiker van een draadloos toestel dus in het geheel geen bescherming tegen het afluisteren van telefoongesprekken; en na 1 maart 1993 geniet hij slechts bescherming tegen afluistermethoden waarvoor een bijzondere inspanning nodig is. In zoverre heeft het hof gelijk waar het overweegt dat de rechtsbescherming van het mobiele telefoonverkeer geringer is dan die van het reguliere telefoonverkeer. Dat geldt te meer nu het afluisteren van publiekelijk gevoerde gesprekken, bezwaarlijk kan worden aangemerkt als ‘’interference’’ in de zin van art. 8 lid 2 EVRM. Als — wederom bij wege van voorbeeld — een opsporingsambtenaar zijn oren niet dichtstopt wanneer hij in de trein een gesprek opvangt waarin snode plannen worden gesmeed, kan deze gedraging toch moeilijk worden aangemerkt als een daad van inmenging. Het gaat mijns inziens echter niet aan om grondrechten zodanig op te rekken, ook al is het in afgezwakte vorm, dat zij situaties gaan omvatten waarvoor zij niet bedoeld zijn.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a6aae069529059e447b82b1210ad14683c02741728b7ee803704eedbbe7b4789. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a6aae069529059e447b82b1210ad14683c02741728b7ee803704eedbbe7b4789, en de alinea staat in dat document op bytes 104071 tot 105104.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/a6aae069529059e447b82b1210ad14683c02741728b7ee803704eedbbe7b4789 | shasum -a 256