Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 september 1995

Alinea 201 Parket bij de Hoge Raad 18 september 1995

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 september 1995, ECLI:NL:PHR:1995:15.

13. Nu de draadloze telefonie naar mijn mening niet onder art. 8 lid 1 EVRM valt, behoefde de politie ten tijde van het afluisteren niet over een rechterlijke machtiging te beschikken. Het is op deze grond dat het hof de gevoerde verweren ongegrond had moeten oordelen. Bij die stand van zaken had verzoeker ook geen rechtens te respecteren belang bij zijn klachten over de deugdelijkheid van de machtiging die de rechter-commissaris in casu heeft verstrekt voor het afluisteren en opnemen van die gesprekken en over de wijze waarop de politie van die machtiging gebruik heeft gemaakt. Want, wat er ook zij van die klachten, aan de politie kan niet worden tegengeworpen dat zij geen gebuik had mogen maken van een opsporingsmethode die door de Grondwet noch door enig mensenrechtenverdrag noch door enige andere wetsbepaling verboden of beperkt wordt. Het cassatiemiddel, waarin wordt voortgebouwd op bedoeld verweer, strandt reeds hierop.’’

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a6aae069529059e447b82b1210ad14683c02741728b7ee803704eedbbe7b4789. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a6aae069529059e447b82b1210ad14683c02741728b7ee803704eedbbe7b4789, en de alinea staat in dat document op bytes 105108 tot 106067.