Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 september 1995
Alinea 70 Parket bij de Hoge Raad 18 september 1995
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 september 1995, ECLI:NL:PHR:1995:15.
23. Dit verweer versta ik aldus dat de politie pas enig onderzoek mag instellen nadat het redelijk vermoeden is gerezen dat een strafbaar feit is gepleegd, en dat de politie van haar opsporingsbevoegdheden geen gebruik kan maken zolang dat redelijk vermoeden niet bestaat. Het Wetboek van Strafvordering spreekt immers over de opsporing van strafbare feiten; daarmee is onverenigbaar dat de daartoe toegekende bevoegdheden zouden worden aangewend ter opheldering van delicten die gepleegd zouden kunnen worden. De opsporingsfase vangt dus aan met het vermoeden van schuld; alles wat voordien gebeurt, is pro-actief. In deze visie mag de politie in de pro-actieve fase dus geen gebruik maken van bevoegdheden die de wet heeft toegekend ter opsporing van (vermoedelijk) reeds begane feiten.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a6aae069529059e447b82b1210ad14683c02741728b7ee803704eedbbe7b4789. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a6aae069529059e447b82b1210ad14683c02741728b7ee803704eedbbe7b4789, en de alinea staat in dat document op bytes 31915 tot 32717.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/a6aae069529059e447b82b1210ad14683c02741728b7ee803704eedbbe7b4789 | shasum -a 256