Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 augustus 1995

Alinea 28 Parket bij de Hoge Raad 30 augustus 1995

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 augustus 1995, ECLI:NL:PHR:1995:19.

Omdat de belangen van verzoeker daarmee het meest gediend zijn, volg ik deze laatste lijn. Een bijkomstig argument is dat aangenomen moet worden dat de rechtbank de argumentatie van beschikking A zou hebben neergelegd in beschikking B, indien verzoeker volstaan zou hebben met het indienen van een klaagschrift ex art. 552a Sv. Dat hij ook nog een verzoek ex art. 126e lid 2 Sv heeft gedaan en dat de rechtbank daarop afzonderlijk heeft beslist, moet naar mijn mening niet tegen hem werken. Als enig, door de wetgever kennelijk niet voorzien en mijns inziens van onvoldoende zwaarwegend bezwaar kan hiertegen worden aangevoerd, dat de Hoge Raad aldus geroepen wordt (indirecte) oordelen te vellen over de rechtmatigheid van (de voortzetting van) het strafrechtelijk financieel onderzoek, terwijl de wet zelf daarin niet voorziet.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8470bd1a8b6196cb8c0f15ecbcda72712153d848142b8b4fb5782dfbdc28aa8d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8470bd1a8b6196cb8c0f15ecbcda72712153d848142b8b4fb5782dfbdc28aa8d, en de alinea staat in dat document op bytes 14373 tot 15216.