Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 mei 1995

Alinea 14 Parket bij de Hoge Raad 30 mei 1995

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 mei 1995, ECLI:NL:PHR:1995:21.

5. De steller van het middel meent dat deze overweging onbegrijpelijk is. Daartoe beroept hij zich op feitelijke omstandigheden, die lijnrecht ingaan tegen hetgeen het hof heeft vastgesteld. Waar het hof vaststelt dat de ‘’afgelegde verklaringen (…) met betrekking tot het aandeel van de verdachte in het onderhavige feitencomplex in grote lijnen met elkaar overeen (stemmen)’’, stelt mr Van der Veen dat de getuigen ‘’elkaar en zichzelf (…) ernstig tegenspraken’’. Waar het hof vaststelt dat ‘’uit (de) verklaringen niet valt af te leiden dat een of meer van die getuigen zijn eigen aandeel in die feiten geringer heeft willen voorstellen door het aandeel van de verdachte te overdrijven’’ voert mr Van der Veen aan dat de getuigen ‘’allen medeverdachten waren (…) en een duidelijk belang hadden bij het op elkaar afschuiven van de schuld’’.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/41ab498c5a074af20761997000543da175111d7388295ae91f911a1a0e47e7cf. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 41ab498c5a074af20761997000543da175111d7388295ae91f911a1a0e47e7cf, en de alinea staat in dat document op bytes 9170 tot 10063.