Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 januari 1995

Alinea 20 Parket bij de Hoge Raad 27 januari 1995

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 januari 1995, ECLI:NL:PHR:1995:24.

8. In een geval waarin betaling had plaatsgevonden aan een schuldeiser die wist dat het faillissement reeds was aangevraagd, heeft Uw Raad het beroep van de curator op art. 47 F. niettemin strijdig geoordeeld met de strekking van deze bepaling – bescherming van de schuldeisers tegen benadeling in hun verhaalsmogelijkheden zoals deze in geval van faillissement door de curator worden uitgeoefend – omdat aan de schuldeisers door de betaling alleen een voordeel ontging zonder dat hun enig nadeel werd toegebracht. In die zaak had een betaling door de schuldenaar (Meerhuys) aan de schuldeiser (de Bank) plaatsgevonden door vermindering van het debetsaldo van de rekening van de schuldenaar bij de Bank. Deze vermindering resulteerde uit de creditering (door de Bank) van die rekening met het bedrag dat door een derde (APO, een zustervennootschap van Meerhuys) op de rekening van de schuldenaar bij de Bank was overgeboekt. Uw Raad oordeelde dat door de betaling aan de schuldeisers slecht een voordeel ontging en geen nadeel werd toegebracht aangezien het bedrag waarmee de rekening van de schuldenaar voor de betaling door de derde was gecrediteerd en dat één moment deel was gaan uitmaken van het vermogen van de schuldenaar, enkel in dat vermogen was geraakt doordat de Bank had bewerkstelligd dat door storting van dat bedrag – door haar (zonder daarmee een bevoordeling van de schuldenaar te beogen) met het oog op die storting eerder ter beschikking van die derde gesteld – in het vermogen van de schuldenaar een onverhaalbare en dus waardeloze vordering op die derde werd vervangen door een aanspraak ten belope van dat bedrag op de Bank. Zou de curator de Bank met een beroep op art. 47 F. kunnen nopen het bedrag waarmee de rekening van de schuldenaar was gecrediteerd “terug te geven”, dan zou hij dusdoende in het – de schuldeisers tot verhaal dienende – vermogen van de failliet niet een bate terugbrengen die daaruit in het zicht van het naderend faillissement was verdwenen, maar aan dat vermogen een bate toevoegen die daarin niet thuis hoort. Aldus Uw Raad. (HR 22 maart 1991 (mr Loeffen q.q./Mees & Hope II, NJ 1992, 214, m.n. PvS, AA 1992, p. 290, m.n. Kortmann.)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d54524e757bdcbfa99321748a6c939b2334a2e2fc34fcbf6f2ddea9bbf69fcce. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d54524e757bdcbfa99321748a6c939b2334a2e2fc34fcbf6f2ddea9bbf69fcce, en de alinea staat in dat document op bytes 13129 tot 15385.