Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 januari 1995
Alinea 21 Parket bij de Hoge Raad 27 januari 1995
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 januari 1995, ECLI:NL:PHR:1995:24.
9. De curator stelt met zijn middel de vraag aan de orde – een vraag die hij ontkennend beantwoordt – of in een geval als het onderhavige waarin aan de schuldeiser wordt “terugbetaald” hetgeen de schuldenaar zich in strijd met het pandrecht van die schuldeiser heeft toegeëigend, ook sprake is van een betaling waardoor geen nadeel aan de overige schuldeisers wordt toegebracht doch waardoor aan hen slechts een voordeel ontgaat. (Wordt deze vraag bevestigend beantwoord – zoals het Hof heeft gedaan -, dan staat daarmee tevens vast dat geen sprake kan zijn van overleg dat begunstiging van de schuldeiser ten doel had.) Aan IFN moet worden toegegeven dat het door de vennootschap van IBM geïnde bedrag van f 700.000,- niet aan de vennootschap doch aan IFN toekwa. (In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat de desbetreffende vordering op IBM rechtsgeldig was verpand en dat IFN – met uitsluiting van de vennootschap – inningsbevoegd was.) Het bedrag van f 700.000,- is dan ook een bedrag dat in zoverre niet in het vermogen van de vennootschap thuishoorde doch in dat van IFN, die terzake van die onregelmatig inning dan ook een vordering op de vennootschap verkreeg. Het is echter de vraag of dit impliceert dat de betaling aan IFN in het licht van art. 47 F. ook beschouwd moet worden als een betaling waardoor de overige schuldeisers geen nadeel wordt toegebracht doch slechts een voordeel ontgaat. Het komt mij voor dat (in het licht van eerder vermeld arrest) van en zodanige betaling eerst moet worden gesproken ingeval die betaling wordt verricht uit een bedrag dat door toedoen van degene aan wie wordt betaald en ook met het oog op die betaling in het vermogen van de schuldenaar is geraakt; de curator spreekt in dit verband van een betaling die een onderdeel uitmaakt van één complex met elkaar samenhangende handelingen tussen in beginsel slechts de schuldenaar en de betrokken schuldeiser. In andere gevallen dient de betaling van een concurrente vordering – ongeacht waaruit deze voortspruit – naar mijn oordeel beschouwd te worden als een handeling waardoor de overige schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld. Wordt in die gevallen betaald aan een schuldeiser die ervan op de hoogte is dat het faillissement van zijn schuldenaar reeds is aangevraagd of heeft overleg als bedoeld in art. 47 F. plaatsgevonden, dan kan de curator met een beroep op deze bepaling de nietigheid van die betaling inroepen. Naar mijn oordeel handelt ook een schuldeiser van een vordering die haar oorzaak vindt in een wanprestatie of onrechtmatig handelen van de schuldenaar onder omstandigheden als in de vorige zin bedoeld, in strijd met de tegen de overige schuldeisers in acht te nemen “goede trouw”. Zou het de schuldeisers in de hier bedoelde gevallen vrij staan zijn vordering te innen, dan zou aan art. 47 F. naar mijn oordeel een te beperkte strekking worden toegekend, mede in aanmerking genomen dat het – in art. 3:276 BW neergelegde – beginsel dat de schuldenaar met zijn gehele vermogen aansprakelijk is voor zijn schulden niet een uitzodering kent voor vermogen dat de schuldenaar op niet-regelmatige wijze heeft verkregen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d54524e757bdcbfa99321748a6c939b2334a2e2fc34fcbf6f2ddea9bbf69fcce. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d54524e757bdcbfa99321748a6c939b2334a2e2fc34fcbf6f2ddea9bbf69fcce, en de alinea staat in dat document op bytes 15401 tot 18621.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d54524e757bdcbfa99321748a6c939b2334a2e2fc34fcbf6f2ddea9bbf69fcce | shasum -a 256