Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 januari 1995

Alinea 24 Parket bij de Hoge Raad 27 januari 1995

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 januari 1995, ECLI:NL:PHR:1995:24.

12. De (lagere) rechtspraak is verdeeld ter zake van de vraag of is vereist dat ook de schuldenaar de bedoeling had de schuldeiser met de betaling te begunstigen. De curator geeft in zijn schriftelijke toelichting een overzicht van die jurisprudentie. Ik wijs hier slechts op een viertal recentere Hofuitspraken. Het Hof Arnhem en het Hof Amsterdam beantwoordden bedoelde vraag bevestigend in hun uitspraken van 17 december 1986, NJ 1988, 592 resp. van 15 april 1993, aangehaald en becommentarieerd door Rank-Berenschot in “Verstrekking van aanvullende zekerheden en faillissementspauliana”, Bb 1993, p. 176. Het Hof Den Bosch en het Hof Amsterdam beantwoordden deze vraag ontkennend in hun uitspraken van 15 februari 1989, NJ 1989, 869 resp. 11 juli 1991, NJ 1992, 243. In de literatuur wordt gesproken over het vereiste van “een bedrieglijke opzet”; zie M. Polak/N.J. Polak, Faillissement en surséance van betaling, 1972, p. 161 en N.J. Polak/C.E. Polak, Faillissementsrecht, 1992, p. 87; in de losbladige editie Faillissementswet, Van Zeben (Van Galen en De Liagre Böhl), art. 47, aant. 3, wordt gesproken van “gezamenlijke bedrieglijke opzet”. Expliciet bevestigend wordt de onderhavige vraag beantwoord door Pinckaers, “Art. 47 Fw. en (voorwaardelijk) opzet van schuldeiser en schuldenaar”, TVVS 1989, p. 270 e.v., i.h.b. onder 4, door Van Everdingen, in: Zekerheden en uitwinning, 1990, p. 56, door De Liagre Böhl, “Sanering en faillissement naar huidig en nieuw recht”, 1991, p. 230-232, en door Rank-Berenschot, t.a.p. i.h.b. onder 5. De twee laatstgenoemde auteurs beschouwen het “overleg”-criterium van art. 47 F. overigens als in de praktijk onhanteerbaar. Ophof, “De Actio Pauliana: Terug van weggeweest of ook ‘wegwezen'?”, rede EUR 1992, p. (4 en) 30 spreekt van “het medeplegen van oneerlijke begunstiging”. Van Buchem-Spapens, Faillissement en surséance van betaling, 1990, p. 58 en Huizink, Insolventie, 1993, p. 83, spreken van samenspanning tussen de schuldenaar en de schuldeiser. Van der Grinten beantwoordt de onderhavige vraag echter expliciet ontkennend in zijn noot onder Uw arrest van 16 januari 1987, NJ 1987, 528.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d54524e757bdcbfa99321748a6c939b2334a2e2fc34fcbf6f2ddea9bbf69fcce. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d54524e757bdcbfa99321748a6c939b2334a2e2fc34fcbf6f2ddea9bbf69fcce, en de alinea staat in dat document op bytes 20803 tot 23009.