Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 juni 1995

Alinea 42 Parket bij de Hoge Raad 6 juni 1995

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 juni 1995, ECLI:NL:PHR:1995:25.

Zie over deze bepaling Kokkini-Iatridou/Boele-Woelki, NIPR 1993, p. 359 361, met enige rechtsvergelijkende notities. Blijkens het Voorontwerp van een memorie van toelichting is met art. 1.1.10 aansluiting gezocht bij art. 9 van de Zwitserse IPR-wet van 1 januari 1989. Anders dan art. 1.1.10 van het Voorontwerp lijkt art. 9 van de Zwitserse IPR-wet echter uit te gaan van een plicht tot aanhouding ingeval de Zwitserse rechter later is aangezocht dan de vreemde rechter. Deze plicht wordt weliswaar sterk gerelativeerd, doordat aanhouding alleen plaatsvindt, ‘’wenn zu erwarten ist, dass das ausländische Gericht in angemessener Frist eine Entscheidung fallt, die in der Schweiz anerkennbar ist’’, maar zulks neemt niet weg dat in de Zwitserse regeling, anders dan kennelijk in de regeling van het Voorontwerp, van een discretionaire bevoegdheid van de rechter om al dan niet aan te houden niet kan worden gesproken. Volken, in: Heini c.s., IPRG Kommentar (1993), p. 79, zegt het zó:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fac76f020eb3924c9c2f3300e5ce0c75664846beffb6d85aec00195ddf47df95. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fac76f020eb3924c9c2f3300e5ce0c75664846beffb6d85aec00195ddf47df95, en de alinea staat in dat document op bytes 17537 tot 18544.