Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 juni 1995
Alinea 26 Parket bij de Hoge Raad 9 juni 1995
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 juni 1995, ECLI:NL:PHR:1995:28.
Mede gelet op de lange tijd van stilzitten sedert eind 1976 (de conclusie van antwoord) oordeelt het hof dat na de brief van 27 juli 1986 [eiser] voortvarendheid had behoren te betrachten bij het opnieuw aanhangig maken van de vordering. Daaraan gemeten is volgens het hof een periode van nog eens bijna drie jaar na het voor hem ongunstige vonnis tot vervallenverklaring, gedurende welke periode [eiser] niets van zich heeft laten horen, te lang. Diens verklaring dat de stukken in het ongerede waren geraakt, is niet geconcretiseerd en regardeert overigens Provincial ook niet. Voorts neemt het hof in aanmerking de verzwaring van de bewijspositie en de omstandigheid dat Provincial niet meer behoefde te rekenen op de onderhavige vordering bij het bepalen van haar schadereserve, alsook dat zij, onbestreden, geen schadereserve heeft aangehouden. De algemene vermogenspositie van Provincial acht het hof hierbij niet van belang.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/df3802dafd60da1116530a66338175c83b96798c07c05c3751d9f63d8517fa31. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt df3802dafd60da1116530a66338175c83b96798c07c05c3751d9f63d8517fa31, en de alinea staat in dat document op bytes 11789 tot 12733.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/df3802dafd60da1116530a66338175c83b96798c07c05c3751d9f63d8517fa31 | shasum -a 256