Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 juni 1995

Alinea 28 Parket bij de Hoge Raad 9 juni 1995

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 juni 1995, ECLI:NL:PHR:1995:28.

12. Voorzover al toetsbaar in cassatie vanwege de sterke verwevenheid met de aan de feitenrechter voorbehouden waardering van feiten en omstandigheden – zie o.m. HR 22 mei 1987, NJ 1988, 231; HR 8 december 1989, NJ 1990, 474 en HR 10 maart 1995. RvdW 1995, 67 -, acht ik dit oordeel niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Er is geen sprake van louter stilzitten door [eiser], maar van een “gekleurde inactiviteit” (noot sub 2 van Veegens onder HR 16 november 1956, NJ 1957, 619). Soms moet men op uitingen van anderen reageren. Dat heeft [eiser] niet gedaan en dat is wat het hof hem heeft aangerekend. Dat het hof daarbij op de manier zoals ik hiervoor heb weergegeven ook de voorgeschiedenis van eind 1976 tot 23 juni 1986 (eis tot vervallenverklaring van instantie) heeft betrokken, is evenmin onjuist of onbegrijpelijk: bij rechtsverwerking gaat het om alle omstandigheden van het geval.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/df3802dafd60da1116530a66338175c83b96798c07c05c3751d9f63d8517fa31. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt df3802dafd60da1116530a66338175c83b96798c07c05c3751d9f63d8517fa31, en de alinea staat in dat document op bytes 13750 tot 14671.