Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 mei 1995
Alinea 10 Parket bij de Hoge Raad 30 mei 1995
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 mei 1995, ECLI:NL:PHR:1995:3.
4. Het Hof heeft gemotiveerd waarom het heeft gekozen voor 26 september 1991 – de datum van uitreiking in persoon aan de verzoeker van de (eerste; na nietigverklaring volgde een nieuwe) dagvaarding in eerste aanleg – als moment waarop de in art. 6 EVRM bedoelde termijn in deze zaak is aangevangen. Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad vangt die termijn aan op "het moment dat de Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze de verwachting heeft ontleend – en redelijkerwijs ook de verwachting heeft kunnen ontlenen – dat het openbaar ministerie een vervolging tegen hem zal instellen"; vgl. o.m. HR 17 februari 1987, NJ 1987.951 en Harteveld/Keulen/Krabbe, Het EVRM en het Nederlandse strafproces, pp. 76-79. De vaststelling wanneer zich dat moment voordoet, is een sterk feitelijke kwestie; de Hoge Raad zal een oordeel daarover slechts marginaal kunnen toetsen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9f8e1e052781a9338f9c974c87f7267b2f66d2e4966723508140d220c5504a9a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9f8e1e052781a9338f9c974c87f7267b2f66d2e4966723508140d220c5504a9a, en de alinea staat in dat document op bytes 11549 tot 12473.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/9f8e1e052781a9338f9c974c87f7267b2f66d2e4966723508140d220c5504a9a | shasum -a 256