Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 mei 1995

Alinea 14 Parket bij de Hoge Raad 30 mei 1995

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 mei 1995, ECLI:NL:PHR:1995:3.

8. De steller van het middel zet nauwgezet uiteen hoe in het (destijds geldende) Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is geregeld welke beschikkingshandelingen met betrekking tot (onroerende) goederen waarop beslag ligt, de beslagene nog mag verrichten, en welke handelingen hem "verboden" zijn. Als maatstaf hanteert hij daarbij de gevolgen van die handelingen voor de verhaalsmogelijkheid op of -waarde van het goed waarop het beslag ligt. Die maatstaf geldt inderdaad in het burgerlijk procesrecht en heeft betrekking op de vraag of bepaalde handelingen door de beslagene wel of niet mogen worden verricht, dat wil zeggen: dat zij – indien toch verricht – zonder werking blijven tegenover de beslaglegger (vgl. Jansen, Executie- en beslagrecht, 3e druk, pp. 415-416). Deze maatstaf heeft betrekking op de mate waarin het de beslagene jegens de beslaglegger is verboden goederen aan het gelegde beslag te "onttrekken". Het gaat hier om een "civielrechtelijke blokkering", zoals Oudelaar (Recht halen, Inleiding in het nieuwe executie- en beslagrecht, 3e druk, p. 63-64) het noemt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9f8e1e052781a9338f9c974c87f7267b2f66d2e4966723508140d220c5504a9a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9f8e1e052781a9338f9c974c87f7267b2f66d2e4966723508140d220c5504a9a, en de alinea staat in dat document op bytes 15403 tot 16538.