Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 mei 1995
Alinea 9 Parket bij de Hoge Raad 30 mei 1995
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 mei 1995, ECLI:NL:PHR:1995:3.
Na de beraadslaging, deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede, dat de redelijke termijn in de zin van artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in deze zaak niet is overschreden. Beslissend hiervoor is of jegens de verdachte op enig moment door de overheid een handeling is verricht waaruit deze heeft opgemaakt en redelijkerwijs mocht opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen de verdachte een strafvervolging in te stellen. De verdachte is in deze zaak niet in verzekering of in voorlopige hechtenis gesteld, terwijl geen gerechtelijk vooronderzoek tegen hem is gevorderd of geopend. Het verhoor van de verdachte door de gemeentepolitie te Rotterdam op 5 juli 1990 levert in casu nog niet zodanige handeling op. Evenmin is zodanige handeling gelegen in de faxbrief d.d. 12 april 1989 van de landsadvocaat aan de raadsman van de verdachte, waarin wordt gesteld dat het handelen van [A] / [verdachte] op 8 april 1989 schending van artikel 198 van het Wetboek van Strafrecht oplevert, nu de landsadvocaat -naar de raadsman moet hebben begrepen- bij dat schrijven de verwijziging naar die strafbepaling steeds bezigde ter ondersteuning van zijn stelling dat [A] / [verdachte] jegens de staat onrechtmatig handelde van welk handelen de landsadvocaat beëindiging verlangde, zulks zonder enig strafrechtelijk optreden of zelfs maar aangifte ter zake van enig strafbaar feit aan te kondigen. De verdachte is op 24 december 1991 – na een eerdere behandeling op tegenspraak op 18 oktober 1991 die tot nietig verklaring van de dagvaarding leidde – gedagvaard voor de terechtzitting van de arrondissementsrechtbank te Middelburg d.d. 24 januari 1992. De verdachte is ter zake van het telastegelegde door voormelde arrondissementsrechtbank veroordeeld bij vonnis van 7 februari 1992. Op 7 februari 1992 heeft de officier van justitie tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld. De aanzegging hoger beroep is uitgereikt op 24 november 1992. De eerste behandeling in hoger beroep zou plaatsvinden op 19 november 1993, doch toen is de behandeling op verzoek van de verdediging aangehouden voor onbepaalde tijd. De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft vervolgens plaatsgevonden op 11 februari 1994. Uit het voorgaande blijkt dat eerst van een "criminal charge" sprake is bij het betekenen op 26 september 1991 van de dagvaarding om te verschijnen ter terechtzitting van 18 oktober 1991. Gelet op het vorenstaande -en bij gebreke van enig gesteld of gebleken bijzonder belang dat dit anders zou moeten- kan noch in enige afzonderlijke fase van de procesgang noch bij de procesgang in zijn geheel gesproken worden van overschrijding van de redelijke termijn in de zin voormelde Verdragsbepaling..
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9f8e1e052781a9338f9c974c87f7267b2f66d2e4966723508140d220c5504a9a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9f8e1e052781a9338f9c974c87f7267b2f66d2e4966723508140d220c5504a9a, en de alinea staat in dat document op bytes 8622 tot 11517.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/9f8e1e052781a9338f9c974c87f7267b2f66d2e4966723508140d220c5504a9a | shasum -a 256