Citaat | Parket bij de Hoge Raad 23 juni 1995

Alinea 46 Parket bij de Hoge Raad 23 juni 1995

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 23 juni 1995, ECLI:NL:PHR:1995:32.

8. De vraag van de Hoge Raad is algemeen geformuleerd. zij kan zowel betrekking hebben op de eerste aanleg - nader te onderscheiden naar kantonrechter en rechtbank - als op het hoger beroep en voorts zowel op de posities van eiser en appellant als op die van gedaagde en geïntimeerde. Het antwoord is voor al deze categorieën niet hetzelfde. Dat komt omdat er gevallen zijn waarin een pleidooi niet zinvol is. Onder meer is hiervan sprake - ik beperk mij tot het hoger beroep - indien de appellant geen memorie van grieven indient. Het Nederlandse stelsel van hoger beroep houdt in dat al hetgeen de rechter in eerste aanleg heeft beslist en dat niet door grieven bestreden is, in hoger beroep vaststaat. De appelrechter mag in beginsel niet buiten het door de grieven in appel ontsloten gebied om vernietigen. Dit betekent dat een appellant die niet van grieven dient, tijdens een pleidooi niets heeft toe te lichten of op te werpen wat tot de door hem gewenste vernietiging van het vonnis in eerste aanleg kan leiden, tenzij

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b8e4ffdfda810679dd21a6e7748720684305e20ec1c85fe3f87460e8e5f042ea. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b8e4ffdfda810679dd21a6e7748720684305e20ec1c85fe3f87460e8e5f042ea, en de alinea staat in dat document op bytes 17247 tot 18288.