Citaat | Parket bij de Hoge Raad 23 juni 1995
Alinea 52 Parket bij de Hoge Raad 23 juni 1995
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 23 juni 1995, ECLI:NL:PHR:1995:32.
10. Mitsdien zal een appelrechter die geconfronteerd wordt met een verzoek tot pleidooi van een appellant die niet van grieven heeft gediend, dit verzoek moeten weigeren, tenzij zich één van de genoemde uitzonderingen voordoet. Het ligt in de rede dat de rechter, alvorens te beslissen, zich omtrent de mogelijke uitzonderingen met partijen zal verstaan. Hij is echter niet afhankelijk van een verzoek van de wederpartij om pleidooi te weigeren, maar moet dit ambtshalve doen zodra hij heeft vastgesteld dat zich geen van de uitzonderingen voordoet. Het behoort immers tot zijn taak de voortgang van de procedure te bewaken - hierover onder meer P. Smits, Rechterlijke voortgangscontrole in het licht van art. 6 EVRM, TCR 1995, p. 11-15 -: een pleidooi dat toch niets kan opleveren, leidt alleen maar tot nodeloze vertraging en tot vergeefs gemaakte kosten. Daarvoor is het hoger beroep niet bestemd.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b8e4ffdfda810679dd21a6e7748720684305e20ec1c85fe3f87460e8e5f042ea. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b8e4ffdfda810679dd21a6e7748720684305e20ec1c85fe3f87460e8e5f042ea, en de alinea staat in dat document op bytes 20110 tot 21025.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/b8e4ffdfda810679dd21a6e7748720684305e20ec1c85fe3f87460e8e5f042ea | shasum -a 256