Citaat | Parket bij de Hoge Raad 23 juni 1995

Alinea 77 Parket bij de Hoge Raad 23 juni 1995

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 23 juni 1995, ECLI:NL:PHR:1995:32.

26. Ik besluit met een enkele, voor de beslissing in het onderhavige geval overigens niet relevante, opmerking over de eerste aanleg. Alleen wanneer de gedaagde niet van antwoord dient, zal de rechter pleidooi moeten weigeren. Dit houdt verband met de eis tot concentratie van het verweer in de conclusie van antwoord. De gedaagde die dit niet doet, verliest het recht daarop. Daarentegen staat m.i. het niet dienen van repliek of dupliek niet aan het toelaten tot het pleidooi in de weg, zij het dat ook dan degene die niet geconcludeerd heeft zich in een moeilijke(r) positie heeft gemanoeuvreerd om nog veel nieuws toe te voegen aan hetgeen hij al gesteld heeft. Zijn positie is in dit opzicht vergelijkbaar met die van een geïntimeerde die niet heeft geantwoord. In eerste aanleg speelt het recht op een "oral hearing" van art. 6 EVRM sterker dan in appel. Dit heeft konsekwenties voor de kantongerechtsprocedure waarin geen recht op pleidooi bestaat. Indien in een concreet geval die procedure louter schriftelijk is verlopen, zal de kantonrechter m.i. op grond van art. 6 EVRM in beginsel een verzoek tot pleidooi niet mogen afwijzen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b8e4ffdfda810679dd21a6e7748720684305e20ec1c85fe3f87460e8e5f042ea. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b8e4ffdfda810679dd21a6e7748720684305e20ec1c85fe3f87460e8e5f042ea, en de alinea staat in dat document op bytes 35506 tot 36660.