Citaat | Parket bij de Hoge Raad 21 april 1995

Alinea 11 Parket bij de Hoge Raad 21 april 1995

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 21 april 1995, ECLI:NL:PHR:1995:4.

1) Sinds augustus 1962 heeft eiseres tot cassatie (hierna: [eiseres] ) van [erflaatster] (hierna: [erflaatster] ) gehuurd alle rechten en verplichtingen voortvloeiende uit door de Staat der Nederlanden aan [erflaatster] verleende publiek- en privaatrechtelijke vergunningen om op een door de Staat aan te wijzen (en kennelijk aan de Staat toebehorend) terrein te [plaats] een benzinestation op te richten en te exploiteren. De overeenkomst werd aanvankelijk aangegaan voor een periode van twintig jaren, eindigend op 18 juli 1983, waarbij [eiseres] het recht had die overeenkomst met tien jaren te verlengen. De Staat heeft een terrein in [plaats] aangewezen gelegen aan de [a-straat 1] , aan de zuidwestzijde van de (thans aanwezige) brug over de Vecht. [eiseres] heeft op dat terrein voor eigen rekening een benzinestation opgericht en dit vanaf 19 juli 1963 geëxploiteerd. Omstreeks 1977 heeft de Staat een ander terrein aangewezen, nu aan de zuidoostzijde van de brug over de Vecht. [eiseres] heeft het eerste station afgebroken en op de nieuwe locatie wederom voor eigen rekening een benzinestation opgericht en geëxploiteerd. De overeenkomst tussen partijen werd op het tweede station van toepassing. In 1982 werd dit tweede station door [eiseres] verbouwd. heeft haar optie tot verlenging van de overeenkomst uitgeoefend. Partijen kwamen overeen de einddatum van de overeenkomst te stellen op 19 juli 1993. Daarbij werd tevens de huurprijs voor de vergunningen opnieuw vastgesteld vanaf 1 juli 1981. In 1990 hebben partijen onderhandeld over de voortzetting van de overeenkomst (en over een daar mee verband houdende overeenkomst betreffende de huur van een garage in [plaats] ) na 19 juli 1993. Bij brieven van 23 oktober 1990 heeft [eiseres] de afspraken vastgelegd die naar haar mening tussen partijen in hun bespreking van 27 september 1990 waren gemaakt. Hoewel [eiseres] daarom meermalen heeft gevraagd, heeft [erflaatster] die brieven niet voor akkoord getekend geretourneerd. Omstreeks maart of april 1991 heeft [eiseres] een door de toenmalige raadsman van [erflaatster] , mr R. van der Niet, vervaardigde conceptovereenkomst inzake beide bovenvermelde objecten ontvangen. Zij heeft daarop bij brief van 23 april 1991 gereageerd. In die brief waren een groot aantal voorstellen tot wijzigingen vervat. Mr van der Niet heeft op die brief gereageerd bij brief van 20 juni 1991. Daarin werd een aantal voorstellen van [eiseres] afgewezen, een deel aanvaard en werden nieuwe voorstellen tot wijziging van de hierboven genoemde conceptovereenkomst gedaan. Op 12 juli 1991 heeft een bespreking tussen [erflaatster] en [eiseres] plaatsgevonden, waarin [erflaatster] te kennen gaf dat zij geen verdere onderhandelingen wenste. Op 24 september 1991 is [erflaatster] met [A] een overeenkomst met betrekking tot het tankstation aangegaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e3023cd39987ea8e68692d62e5e7d745c6e5b9ac6a37abe8014ba426253c4331. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e3023cd39987ea8e68692d62e5e7d745c6e5b9ac6a37abe8014ba426253c4331, en de alinea staat in dat document op bytes 5907 tot 8838.