Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 september 1995

Alinea 37 Parket bij de Hoge Raad 8 september 1995

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 september 1995, ECLI:NL:PHR:1995:44.

19. Het onderhavige geval is betrekkelijk buitenissig, zowel omdat [verzoekster] verhuisd is op een tijdstip tussen het indienen van het verzoekschrift en de toezending ervan door het kantongerecht als omdat de aangetekende stukken niet zijn geretourneerd. Met name dit laatste is belangrijk, omdat het meestal wel gebeurt en het systeem van verzendingen in verzoekschriftprocedures daarop ook in hoge mate is gebaseerd. De griffier mag in beginsel vertrouwen op de inschrijving in het bevolkingsregister (zie recent nog HR 24 maart 1995, NJ 1995, 347). Ontvangt hij desondanks het stuk terug dan verifieert hij het adres in het bevolkingsregister en zendt, afhankelijk van de uitkomst van deze verificatie, het stuk hetzij per gewone brief naar hetzelfde adres (recent HR 24 maart 1995, NJ 1995, 348), hetzij aangetekend naar het nieuwe adres. Zie art. 6 Besluit OMV. Bij een onbekende woon- of verblijfplaats geldt art. 3 Besluit OMV: de rechter dient een andere wijze van oproepen dan wel toezenden te bepalen (HR 21 december 1990, NJ 1991, 234 en HR 12 april 1991, NJ 1992, 215). In het Voorontwerp Aanpassing Rv is het Besluit OMV, voorzover hier relevant, vrijwel ongewijzigd opgenomen in afd. 3.3.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7735743e2a38e99742ecba97eb061b6b11d62a9d160a97f3c906c07aa7901699. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7735743e2a38e99742ecba97eb061b6b11d62a9d160a97f3c906c07aa7901699, en de alinea staat in dat document op bytes 15234 tot 16451.