Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 mei 1995

Alinea 45 Parket bij de Hoge Raad 19 mei 1995

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 mei 1995, ECLI:NL:PHR:1995:46.

13. Het beroep in dit verband op art. 1:81 BW is afgewezen in HR 4 december 1987, NJ 1988, 678 en in HR 5 oktober 1990, NJ 1991, 576. Gestoeld evenwel op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, is voor een dergelijk vergoedingsrecht een kleine opening gelaten in HR 25 november 1988, NJ 1989, 529. Geoordeeld is dat ook een krachtens overeenkomst van huwelijkse voorwaarden tussen partijen geldende regel niet toepasselijk is voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zij het dat de enkele omstandigheid dat door de arbeidsinspanning van de vrouw het vermogen van de man is toegenomen, daarvoor niet voldoende is. De beslissing is herhaald in HR 5 oktober 1990, NJ 1991, 576 betreffende de pensioenverrekening bij koude uitsluiting. Toen had, naast andere argumenten, de vrouw te weinig gesteld om aanspraak te kunnen maken op een deel van het pensioen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/76804c4595e671e31dfc9f0de7872d9225f6253c9a576a165da1c6af2a2f4160. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 76804c4595e671e31dfc9f0de7872d9225f6253c9a576a165da1c6af2a2f4160, en de alinea staat in dat document op bytes 15096 tot 16049.