Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 mei 1995
Alinea 47 Parket bij de Hoge Raad 19 mei 1995
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 mei 1995, ECLI:NL:PHR:1995:46.
15. Het hof heeft de hiervoor in nr. 8 onder C vermelde uitzonderingen, waaronder de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, vrijwel woordelijk ontleend aan HR 30 januari 1991, NJ 1992, 191 (derde kamer). De civiele kamer heeft zich in deze zin nog niet uitgesproken, ook niet in het reeds genoemde arrest van HR 10 januari 1992, NJ 1992, 651, waarin (integendeel?) […]/[…] onverkort is herhaald. Tot nu toe heeft de civiele kamer derhalve nog steeds slechts geoordeeld dat een buiten gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot met wiens geld de andere echtgenoot (mede) een goed verkrijgt, recht kan hebben op vergoeding van het nominale bedrag. Wanneer dit uitgangspunt uitzondering lijdt en of dit dezelfde uitzonderingen zijn die de derde kamer heeft genoemd, is derhalve niet zeker. Het zou de duidelijkheid ten goede komen indien de Hoge Raad zich in deze zaak hierover zou uitspreken. Ik geef hiertoe een voorzet of, zo men wil, zet de kwestie op scherp.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/76804c4595e671e31dfc9f0de7872d9225f6253c9a576a165da1c6af2a2f4160. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 76804c4595e671e31dfc9f0de7872d9225f6253c9a576a165da1c6af2a2f4160, en de alinea staat in dat document op bytes 16717 tot 17711.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/76804c4595e671e31dfc9f0de7872d9225f6253c9a576a165da1c6af2a2f4160 | shasum -a 256