Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 februari 1995

Alinea 23 Parket bij de Hoge Raad 3 februari 1995

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 februari 1995, ECLI:NL:PHR:1995:52.

Onderdeel 1 van het middel neemt deze gedachtengang op de korrel. Bij de beoordeling daarvan moet worden vooropgesteld dat de waardering van het getuigenbewijs is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, en dat deze rechter niet gehouden is te motiveren waarom hij aan de verklaring van een getuige geen geloof hecht of daaraan minder gewicht toekent dan aan die van andere getuigen. Zie HR 11 feb. 1994 NJ 1994 no. 651. De verschillende subonderdelen (ik tel er zes) komen daarom slechts voor bespreking in aanmerking voor zover zij de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof aantasten, of volhouden dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. De subonderdelen 1a (onder 1-3) en 1c kunnen gelezen worden als klachten over de begrijpelijkheid van 's hofs oordeel inzake de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] ; subonderdeel 1d verwijt het hof van een onjuiste rechtsopvatting te zijn uitgegaan met betrekking tot de betekenis van art. 213 Rv. Subonderdeel 1b, dat het toegebrachte letsel betreft, behandel ik samen met onderdeel 2, dat daar eveneens betrekking op heeft.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5ceec2b90bbe8bd52cdad2ab3aa4c067096ea4d13d75602eb8d67511f9f3336c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5ceec2b90bbe8bd52cdad2ab3aa4c067096ea4d13d75602eb8d67511f9f3336c, en de alinea staat in dat document op bytes 8930 tot 10068.