Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 februari 1995

Alinea 24 Parket bij de Hoge Raad 3 februari 1995

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 februari 1995, ECLI:NL:PHR:1995:52.

5. Subonderd. 1-a-1 acht het ontoelaatbaar onduidelijk of het hof [betrokkene 1] 's verklaring tegenover de politie nu vergelijkt met diens verklaring in het voorlopig getuigenverhoor dan wel met die in het verhoor van getuigen na het interlocutor vs. van de rb. Nu [betrokkene 1] tijdens dit laatste verhoor uitdrukkelijk verklaard heeft te blijven bij de inhoud van de verklaring in het voorlopig getuigenverhoor, en daaraan slechts enkele dingen toevoegt (zie het p.- v. van getuigenverhoor van 15 sept. 1988) , moet het hof de verklaring tegenover de politie hebben vergeleken met het totaal van de verklaringen door [betrokkene 1] voor de rechter afgelegd. De klacht mist daarom feitelijke grondslag. Hetzelfde geldt voor subonderd. 1-a-3, dat uitgaat van de door niets gerechtvaardigde veronderstelling dat het hof de verklaring van [betrokkene 1] zou hebben verward met die van een andere getuige.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5ceec2b90bbe8bd52cdad2ab3aa4c067096ea4d13d75602eb8d67511f9f3336c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5ceec2b90bbe8bd52cdad2ab3aa4c067096ea4d13d75602eb8d67511f9f3336c, en de alinea staat in dat document op bytes 10084 tot 11001.