Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 februari 1995
Alinea 30 Parket bij de Hoge Raad 3 februari 1995
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 februari 1995, ECLI:NL:PHR:1995:52.
Ook overigens geeft het oordeel van het hof niet blijk van een verkeerde rechtsopvatting. HR 10 dec. 1993 NJ 1994 no. 667 heeft de strekking van art. 213 in herinnering gebracht: de verklaring van een partij-getuige kan geen bewijs te haren voordele opleveren "indien geen aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partij-verklaring voldoende geloofwaardig maken". Zie ook Parl. gesch. Nieuw bewijsrecht p. 289- 291 en p. 295-301. Die strekking is door het hof geenszins miskend.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5ceec2b90bbe8bd52cdad2ab3aa4c067096ea4d13d75602eb8d67511f9f3336c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5ceec2b90bbe8bd52cdad2ab3aa4c067096ea4d13d75602eb8d67511f9f3336c, en de alinea staat in dat document op bytes 13400 tot 13961.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/5ceec2b90bbe8bd52cdad2ab3aa4c067096ea4d13d75602eb8d67511f9f3336c | shasum -a 256