Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 juni 1995

Alinea 32 Parket bij de Hoge Raad 27 juni 1995

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 juni 1995, ECLI:NL:PHR:1995:AC0054.

7. Mijns inziens is deze stelling, waarin niet aan bedoeld verbod gerefereerd wordt, niet van dien aard dat het hof haar had moeten opvatten als een beroep op art. 3 EVRM en art. 7 IVBPR. Daarbij moet worden aangetekend dat de raadsman de grenzen der humaniteit in verband bracht met het leed dat verzoeker zichzelf had aangedaan waardoor hij reeds voldoende gestraft zou zijn, en niet met de wijze van tenuitvoerleggen van de op te leggen straf.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4e1f5664502d5ae9701ac6aa563f619751d4b7afde9d1a9a88bae88dd757fb80. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4e1f5664502d5ae9701ac6aa563f619751d4b7afde9d1a9a88bae88dd757fb80, en de alinea staat in dat document op bytes 13505 tot 13964.