Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 juni 1995
Alinea 35 Parket bij de Hoge Raad 27 juni 1995
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 juni 1995, ECLI:NL:PHR:1995:AC0054.
5. Bij de strafoplegging zal de rechter, zeker indien het gaat om een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, onder ogen hebben te zien of de verdachte in staat is die straf te ondergaan. Dit geldt in het bijzonder als er aanwijzingen bestaan voor het tegendeel of als daarop beroep is gedaan, ook al zegt de wet niet met zoveel woorden dat met de strafbekwaamheid van de verdachte rekening moet worden gehouden. Een menselijke strafrechtstoepassing eist immers dat met de bijzondere eigenschappen van de dader rekening wordt gehouden, ook voor wat betreft diens geschiktheid om straf te ondergaan. Ver achter ons ligt de tijd dat strenge wetten dwongen tot het vellen van wrede vonnissen welke slechts door gratie verzacht konden worden. Simons vatte dit reeds in 1927 samen in de stelling ‘’Ons strafrecht zal humaan zijn of niet zijn’’. Bronkhorst heeft dit thema in zijn Tilburgse intreerede van 1964 (Nood en noodzaak van het strafrecht) uitgewerkt. Op blz. 16 schrijft hij:
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4e1f5664502d5ae9701ac6aa563f619751d4b7afde9d1a9a88bae88dd757fb80. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4e1f5664502d5ae9701ac6aa563f619751d4b7afde9d1a9a88bae88dd757fb80, en de alinea staat in dat document op bytes 14762 tot 15756.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/4e1f5664502d5ae9701ac6aa563f619751d4b7afde9d1a9a88bae88dd757fb80 | shasum -a 256