Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 juni 1995

Alinea 43 Parket bij de Hoge Raad 27 juni 1995

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 juni 1995, ECLI:NL:PHR:1995:AC0054.

7. Ook het systeem der wet dwingt mijns inziens tot de gevolgtrekking dat de rechter reeds bij de bepaling van de vrijheidsstraf onder ogen heeft te zien of de verdachte die straf aankan, en dat hij in dat opzicht niet mag verwijzen naar de situatie zoals die mogelijk ten tijde van aanvang der executie zou kunnen bestaan. Zo eist art. 24 Sr bij een geldboete dat de rechter rekening houdt met de draagkracht van de verdachte, waaronder bezwaarlijk iets anders begrepen kan worden dan de draagkracht ten tijde van de berechting, inclusief de reële vooruitzichten ten aanzien van inkomen en/of vermogen. De mogelijkheid van onverwachte erfenissen, prijzen uit de loterij etc. zal daarbij buiten beschouwing moeten worden gelaten evenals onvoorziene armoede. Voorts kan nog worden gewezen op de bijzondere wettelijke voorzieningen voor het geval de verdachte na de rechterlijke uitspraak aan een geestesstoornis is gaan lijden (zie artt. 562-563 Sv, art. 13 Sr, artt. 47 en 120-122a Gevangenismaatregel).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4e1f5664502d5ae9701ac6aa563f619751d4b7afde9d1a9a88bae88dd757fb80. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4e1f5664502d5ae9701ac6aa563f619751d4b7afde9d1a9a88bae88dd757fb80, en de alinea staat in dat document op bytes 18982 tot 19999.