Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 november 1996

Alinea 22 Parket bij de Hoge Raad 1 november 1996

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 november 1996, ECLI:NL:PHR:1996:21.

12. Gezien ook het bepaalde in art. 6bis EEX, kan er geen twijfel over bestaan dat de ordonnance van 18 februari 1994 van de President van het Tribunal de Commerce te Duinkerken betrekking heeft op een burgerlijke of handelszaak in de zin van art. 1 van het EEX. Evenmin kan er twijfel over bestaan dat die beslissing is aan te merken als een door een gerecht van een verdragsluitende Staat gegeven beslissing in de zin van art. 25 EEX. Gezien art. 57 lid 2 aanhef en onder b EEX en in aanmerking genomen dat het Verdrag van Londen geen regeling kent inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van onder dit verdrag gegeven beslissingen, komt de ordonnance van de President van het Tribunal de Commerce te Duinkerken derhalve in beginsel op grond van art. 26 EEX voor automatische erkenning (''zonder vorm van proces'') hier te lande in aanmerking. Vgl. D. Jackson, The 1976 Convention and International Uniformity of Rules, in: The Limitation of Shipowners' Liability: The New Law, 1986, p. 126 e.v., p. 136 en p. 141/142.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/38991acf08783cded495adc8f8257d0f9e750cd7549acb6be6404f8a56bb9589. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 38991acf08783cded495adc8f8257d0f9e750cd7549acb6be6404f8a56bb9589, en de alinea staat in dat document op bytes 12469 tot 13504.