Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 november 1996
Alinea 24 Parket bij de Hoge Raad 1 november 1996
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 november 1996, ECLI:NL:PHR:1996:21.
14. Als juist is dat de ordonnance van de President van het Tribunal de Commerce te Duinkerken op de voet van art. 26 EEX voor automatische erkenning hier te lande in aanmerking komt, staat het de Staat niet vrij de reeds bij die ordonnance besliste vraag of het in Frankrijk door ladingbelanghebbenden ingediende verzoek tot benoeming van een gerechtelijk deskundige kan worden aangemerkt als een rechtsgeding in de zin van art. 11 van het Verdrag van Londen opnieuw aan de Nederlandse rechter voor te leggen. Vgl. HvJ EG 30 november 1976, zk 42/76 (De Wolf/Cox), Jur. 1976, 1759, NJ 1977, 484 nt. JCS. Onontkoombaar lijkt dan de conclusie te zijn dat, anders dan het Hof heeft beslist, het in Frankrijk gevormde beperkingsfonds ook jegens de Staat heeft te gelden als een overeenkomstig art. 11 van dat verdrag gevormd beperkingsfonds. Hieruit vloeit voort dat de Staat, ingevolge het bepaalde in art. 13 van dat verdrag, zijn gepretendeerde vordering slechts kan verhalen op het in Frankrijk gevormde fonds en verplicht is tot vrijgave van de namens SDV verstrekte bankgarantie.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/38991acf08783cded495adc8f8257d0f9e750cd7549acb6be6404f8a56bb9589. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 38991acf08783cded495adc8f8257d0f9e750cd7549acb6be6404f8a56bb9589, en de alinea staat in dat document op bytes 14529 tot 15624.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/38991acf08783cded495adc8f8257d0f9e750cd7549acb6be6404f8a56bb9589 | shasum -a 256