Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 november 1996

Alinea 25 Parket bij de Hoge Raad 1 november 1996

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 november 1996, ECLI:NL:PHR:1996:21.

15. Er doet zich echter een moeilijkheid voor. Het Hof van Justitie van de EG heeft bij zijn arrest van 21 mei 1980, zk 125/79 (Denilauler/Couchet Frères), Jur. 1980, 1553, NJ 1981, 184 nt. JCS voor recht verklaard dat rechterlijke beslissingen waarbij voorlopige of bewarende maatregelen worden toegestaan, die worden gegeven zonder dat de partij tegen wie zij zijn gericht, is opgeroepen te verschijnen, en die ten uitvoer moeten worden gelegd zonder voorafgaande betekening, niet vallen onder de in Titel III van het EEX voorziene regeling voor de erkenning en de tenuitvoerlegging. Uit de beslissing van de President van het Tribunal de Commerce te Duinkerken blijkt niet dat de schuldeisers, waaronder de Staat, zijn opgeroepen om op het door SDV gedane verzoek tot fondsvorming te worden gehoord. Er moet dus van worden uitgegaan dat de beslissing ex parte is gegeven. Daarmee rijst de vraag of de onderhavige beslissing van de President van het Tribunal de Commerce te Duinkerken onder de in het Denilauler-arrest bedoelde uitsluiting valt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/38991acf08783cded495adc8f8257d0f9e750cd7549acb6be6404f8a56bb9589. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 38991acf08783cded495adc8f8257d0f9e750cd7549acb6be6404f8a56bb9589, en de alinea staat in dat document op bytes 15640 tot 16702.