Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 november 1996

Alinea 41 Parket bij de Hoge Raad 1 november 1996

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 november 1996, ECLI:NL:PHR:1996:21.

28. Niettemin zou ik willen bepleiten reeds thans, zonder de door de tweede klacht gerezen vragen van uitleg van de artt. 25 en 26 EEX aan het Hof van Justitie voor te leggen, op het cassatieberoep te beslissen. Ik neem daarbij in aanmerking dat het hier gaat om een kort geding en dat, nu de eerste klacht naar mijn oordeel gegrond is, niet de uitkomst, doch slechts de weg waarlangs die uitkomst wordt bereikt, afhankelijk is van de gegrondheid van de tweede klacht. Ik kom daarom tot de slotsom dat het bestreden arrest wegens gegrondbevinding van de eerste klacht moet worden vernietigd en dat de Hoge Raad, na vernietiging, de zaak zelf kan afdoen door op het bestaande hoger beroep het in eerste aanleg door de President van de Rechtbank te 's-Gravenhage gewezen vonnis te vernietigen en de vordering van SDV, zoals gewijzigd bij akte in hoger beroep d.d. 14 augustus 1995, alsnog toe te wijzen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/38991acf08783cded495adc8f8257d0f9e750cd7549acb6be6404f8a56bb9589. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 38991acf08783cded495adc8f8257d0f9e750cd7549acb6be6404f8a56bb9589, en de alinea staat in dat document op bytes 26851 tot 27766.