Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 mei 1996

Alinea 36 Parket bij de Hoge Raad 10 mei 1996

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 mei 1996, ECLI:NL:PHR:1996:35.

Vervolgens behandelde het hof de grief met betrekking tot de reconventionele vordering. Na te hebben overwogen dat KVV destijds een op zichzelf gerechtvaardigde behoefte had aan een voor de uitoefening van haar retentierecht in de plaats komende zekerheid ter zake van de door haar niet ontvangen bewaargelden, liet het hof daarbij in het midden of voor het oordeel over deze vordering in reconventie van doorslaggevend belang was of de vordering tot zekerheid waarvan KVV retentierecht wilde uitoefenen (of zekerheid eiste) gegrond was. Ook in hoger beroep was niet gesteld of gebleken dat het stellen van de door KVV verlangde bankgarantie door Moksel onoverkomelijk bezwaarlijk was, zodat Moksel er onverplicht van af heeft gezien uitlevering van het vlees te verkrijgen en daarmee aanvaard heeft dat dit voor haar rekening bij KVV in opslag is gebleven (r.o. 12).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/866253210b16da9d7e67f42166bfda1585830a27eee9f3a9e4363c429c8f85f1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 866253210b16da9d7e67f42166bfda1585830a27eee9f3a9e4363c429c8f85f1, en de alinea staat in dat document op bytes 16556 tot 17437.