Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 juni 1996

Alinea 13 Parket bij de Hoge Raad 25 juni 1996

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 juni 1996, ECLI:NL:PHR:1996:37.

Het hof heeft naar aanleiding van dit verweer overwogen dat als tijdstip waarop verzoekster er in redelijkheid rekening mee moest houden dat tegen haar een strafvervolging zou worden ingesteld niet het onderzoek door de AID aangemerkt moet worden, maar de dag waarop de rechter-commissaris in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek huiszoeking heeft verricht in het bedrijf van verzoekster, te weten 22 januari 1992. Vervolgens heeft het hof overwogen dat er zowel tussen de betekening aan verzoekster van de kennisgeving van verdere vervolging en de eerste zitting in eerste aanleg (een tijdsverloop van ruim 15 maanden) als tussen het instellen van hoger beroep door verzoekster en de eerste behandeling daarvan (eveneens een periode van ruim 15 maanden) sprake is geweest van een onredelijk lang tijdsverloop, dat dit niet hoefde te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM, maar dat volstaan kon worden met strafvermindering (arrest p. 2). In de strafmotivering heeft het hof vervolgens aangegeven tot welke strafvermindering de schending van de redelijke termijn geleid (arrest p. 10).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f030dc66bebf45ead54029c93449b5a9ead3159eafe50a0488c59dc2f99395ff. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f030dc66bebf45ead54029c93449b5a9ead3159eafe50a0488c59dc2f99395ff, en de alinea staat in dat document op bytes 5170 tot 6282.