Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 oktober 1996
Alinea 26 Parket bij de Hoge Raad 1 oktober 1996
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 oktober 1996, ECLI:NL:PHR:1996:48.
De eerste vraag is of dit pand op dat moment moest worden gezien als een woning. De politie heeft die vraag destijds ontkennend beantwoord, omdat [verdachte], die daar had gewoond, gedetineerd was, zijn vriendin elders verbleef en er volop tekenen waren, zoals de omstandigheid dat de ramen in november permanent openstonden, dat het pand ook niet door iemand anders bewoond werd of kon worden. Deze beoordeling is nog eens bevestigd toen de politie eenmaal in het pand kwam; er zijn bijvoorbeeld geen persoonlijke eigendommen op de bovenverdieping aangetroffen en de in dat pand aanwezige matrassen waren doorweekt van de regen. De politie heeft destijds op goede gronden de conclusie kunnen en mogen trekken dat het huis niet als woning moest worden aangemerkt. Enkel uit het feit dat er afwas in het huis stond, hoefde niet te worden afgeleid dat het pand op dat moment wel bewoond werd.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3f251ffdaa68c0f2c026e13be942d6c1115aa6f1e3f61e18f859defc85ecaf2d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3f251ffdaa68c0f2c026e13be942d6c1115aa6f1e3f61e18f859defc85ecaf2d, en de alinea staat in dat document op bytes 8672 tot 9575.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/3f251ffdaa68c0f2c026e13be942d6c1115aa6f1e3f61e18f859defc85ecaf2d | shasum -a 256