Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 oktober 1996

Alinea 27 Parket bij de Hoge Raad 1 oktober 1996

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 oktober 1996, ECLI:NL:PHR:1996:48.

11. ' s Hofs oordeel dat in het onderhavige geval van een woning geen sprake was, is feitelijk en gelet op de door het hof vastgestelde omstandigheden niet onbegrijpelijk. De door de steller van het middel aangehaalde arresten (HR NJ 1981, 421 en HR NJ 1972, 121) verschillen overigens op een belangrijk punt met deze zaak. In die zaken was voornamelijk op grond van de omstandigheid dat de bewoner was overleden resp. was opgenomen in een kliniek, aangenomen dat van een woning geen sprake was. Echter in de onderhavige zaak is de afwezigheid van de bewoner slechts een bijkomende omstandigheid. De voorts in het middel vervatte klacht dat het hof ambtshalve had behoren na te gaan of het pand, ook als het geen woning was, onder de bescherming van art. 8 EVRM viel, faalt eveneens. Ook als art. 8 EVRM in het geding zou zijn, betekent dat namelijk nog niet dat de in het Nederlandse recht geldende vormvoorschriften die bij het bestreden van woningen in acht moeten worden genomen, van toepassing zijn. Die eis stelt art. 8 EVRM niet.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3f251ffdaa68c0f2c026e13be942d6c1115aa6f1e3f61e18f859defc85ecaf2d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3f251ffdaa68c0f2c026e13be942d6c1115aa6f1e3f61e18f859defc85ecaf2d, en de alinea staat in dat document op bytes 9607 tot 10656.