Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 februari 1996

Alinea 22 Parket bij de Hoge Raad 5 februari 1996

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 februari 1996, ECLI:NL:PHR:1996:AD2522.

9. De vraag is nu of geoordeeld kan worden dat aan dit vormvoorschrift is voldaan ingeval de rechter in zijn (schriftelijke) uitspraak verwijst naar het ter zitting mondeling overeengekomen beding waarbij wijziging op de voet van art. 1:401 wordt uitgesloten. Naar mijn oordeel moet deze vraag ontkennend worden beantwoord. De rechter die zich — zoals in casu — bij zijn veroordeling van de ene partij tot betaling van alimentatie aan de andere partij conformeert aan hetgeen partijen daaromtrent overeenkwamen, verschaft daarmee een executoriale titel aan de partij ten behoeve van wie de veroordeling is uitgesproken teneinde zo nodig de nakoming af te dwingen van de overeenkomst, die overigens door de veroordeling onverlet wordt gelaten tenzij uit de rechterlijke uitspraak van een verdergaande strekking blijkt. (Zie Uw beschikking van 19 november 1982, NJ 1983, 494, m.nt. EAAL. Zie voorts Asser-De Ruiter-Moltmaker, 1992, nr. 1046 en M.W.E. Koopmann, Alimentatieovereenkomst en beding van niet-wijziging, WPNR nr. 5574 (1981), p. 517 e.v.) Door, zoals in casu, in zijn uitspraak uitdrukkelijk te verwijzen naar het beding van niet-wijziging of in zijn beslissing ‘’te verstaan’’ dat de alimentatie niet op grond van gewijzigde omstandigheden kan worden gewijzigd, legt de rechter vast dat van een dergelijke verdergaande strekking geen sprake is. Door in zijn uitspraak aan dat beding te refereren kan de rechter — die zelf niet kan bepalen dat zijn uitspraak betreffende levensonderhoud niet voor wijziging vatbaar is — naar mijn oordeel echter geen rechtsgeldigheid verschaffen aan een ter zitting mondeling overeengekomen beding van niet-wijziging dat rechtsgeldigheid ontbeert omdat het niet schriftelijk is aangegaan. De aan het litigieuze vormvoorschrift ten grondslag liggende ratio staat daaraan in de weg. De schriftelijke vorm is immers niet voorgeschreven met het oog op te verwachten bewijsproblemen of in verband met vereisten van publiciteit; het dient, zoals hiervoor bleek, ter bescherming van partijen zelf. De rechterlijke uitspraak kan naar mijn oordeel dan ook niet in de plaats komen van een door partijen zelf ondertekend stuk. Partijen worden niet tegen overijling beschermd ingeval de rechter in zijn uitspraak aan het beding refereert. Ook het feit dat het beding ter zitting — in het bijzijn van rechter en raadsman — mondeling is overeengekomen behoeft op zichzelf niet steeds een garantie tegen een zekere mate van overijling te zijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ee41b017587bddf118d6d209fb5c7b40f2f39dfb63520e5b000638f2ec8132ce. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ee41b017587bddf118d6d209fb5c7b40f2f39dfb63520e5b000638f2ec8132ce, en de alinea staat in dat document op bytes 11672 tot 14175.