Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 april 1997

Alinea 12 Parket bij de Hoge Raad 1 april 1997

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 april 1997, ECLI:NL:PHR:1997:1.

5. De feitenrechter heeft een zelfstandige onderzoeksplicht bij de beoordeling van de strafbaarheid van de verdachte. Dit impliceert dat hij in voorkomende gevallen de niet-strafbaarheid dient aan te nemen, zelfs indien daarop geen beroep wordt gedaan. De redenering dat geen gesubstantieerd/gestaafd verweer is gevoerd en dat dus het aangevoerde niet aannemelijk is, lijkt een miskenning in te houden van die taak. Bovendien wekt 's hofs motivering de (onjuiste) suggestie dat de verdachte zijn stellingen tot op zekere hoogte aannemelijk dient te maken. Uitvoeriger hierover Corstens, Handboek 2e druk, blz. 656 ev, en Knigge, Beslissen en motiveren, blz. 115; zie ook HR NJ 1993, 267 en NJ 1995, 484. Ik acht het middel gegrond.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/09fffc41d0bd25d18f8ebcafed92b68d6d6ba3866ed96f3bb7effdb52f317f80. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 09fffc41d0bd25d18f8ebcafed92b68d6d6ba3866ed96f3bb7effdb52f317f80, en de alinea staat in dat document op bytes 5632 tot 6414.