Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 oktober 1997
Alinea 40 Parket bij de Hoge Raad 17 oktober 1997
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 oktober 1997, ECLI:NL:PHR:1997:52.
18. Voor zover het middel wil betogen dat het Hof heeft geoordeeld dat de man geen recht op juridische bijstand tijdens de behandeling ter terechtzitting heeft, berust het op een verkeerde lezing van de bestreden beschikking. Het Hof heeft in verband met de vraag of onder de onderhavige omstandigheden het niet aanhouden van de mondelinge behandeling een schending van het beginsel van hoor en wederhoor oplevert, laten meewegen dat de man ook niet in persoon, zonder zijn raadsman, ter terechtzitting van de Rechtbank is verschenen. Over de vraag of de verschijning van de man zonder zijn raadsman de Rechtbank aanleiding had behoren te geven de behandeling aan te houden (zie daarover HR 12 februari 1993, NJ 1993, 234), heeft het Hof zich niet uitgelaten. De vraag of (uit art. 6 EVRM volgt dat) in een procedure als de onderhavige recht op juridische bijstand ter terechtzitting bestaat, kan derhalve blijven rusten. Zie over deze vraag P. Smits, Artikel 6 EVRM en de civiele procedure, diss. (1996), p. 112 e.v.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/afd8150ecf65bb446432df284a1ab6401f91643acffecb79f937793836164ab3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt afd8150ecf65bb446432df284a1ab6401f91643acffecb79f937793836164ab3, en de alinea staat in dat document op bytes 15848 tot 16878.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/afd8150ecf65bb446432df284a1ab6401f91643acffecb79f937793836164ab3 | shasum -a 256