Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 mei 1997

Alinea 19 Parket bij de Hoge Raad 16 mei 1997

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 mei 1997, ECLI:NL:PHR:1997:6.

5. [verweerder] stelt hoger beroep in tegen het eindvonnis in de zaak tegen [eiseres] mede omdat - aldus de memorie van grieven - "het geding tegen [A] nog niet in kracht van gewijsde is." Het Gemeenschappelijk Hof laat bij tussenvonnis van 1 september 1995 [verweerder] toe tot het bewijs van zijn stelling dat tussen hem en [eiseres] een overeenkomst is gesloten met betrekking tot de verkoop van het recht op levering van het litigieuze perceel, althans dat de onderhandelingen hierover met [eiseres] zich in een zodanig stadium bevonden dat [eiseres] niet buiten hem ( [verweerder] ) om een overeenkomst met [A] N.V. had mogen sluiten. Bij eindvonnis van 19 april 1996 concludeert het Gemeenschappelijk Hof dat [verweerder] niet in dat bewijs is geslaagd. Anders dan het Gerecht in Eerste Aanleg oordeelt het Gemeenschappelijk Hof in de volgende overwegingen echter dat wel degelijk sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. Overwogen wordt:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a534f97e2fe992ce7794e931a6879235ac0d812b553fe0a6b6bf508c70fe076f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a534f97e2fe992ce7794e931a6879235ac0d812b553fe0a6b6bf508c70fe076f, en de alinea staat in dat document op bytes 9900 tot 10885.