Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 mei 1997

Alinea 33 Parket bij de Hoge Raad 16 mei 1997

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 mei 1997, ECLI:NL:PHR:1997:6.

In navolging van hetgeen overigens gebruikelijk is spreekt het middel niet zozeer van het vereiste van "verrijking ten koste van een ander" doch van de vereisten "verrijking, verarming, en causaal verband tussen de verrijking en de verarming". In dat verband wordt betoogd dat een en ander aanschouwelijk aldus kan worden voorgesteld dat bestanddelen van het ene vermogen daaraan zijn onttrokken en zijn toegevoegd aan het andere vermogen. Daarbij wordt kennelijk aansluiting gezocht bij Asser- Hartkamp, a.w., nr. 354. Aan deze aanschouwelijke voorstelling wordt in Asser-Hartkamp, t.a.p., echter wel een soort vermaning verbonden. Aangetekend wordt dat men aan de begrippen "vermogen" en "vermogensbestanddeel" een veel ruimere betekenis moet toekennen dan deze in het spraakgebruik hebben. Tevens wordt betoogd dat niet de beperking mag worden gesteld dat de verrijking onmiddellijk ten laste van het vermogen van de verarmde heeft plaatsgevonden doch dat een verrijkingsactie ook aanvaardbaar kan zijn indien de vermogensverschuiving optreedt door tussenkomst van een derde. Voorts wordt ook nog betoogd dat voor de bepaling van de begrippen verarming en verrijking mede van belang is dat de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking geen "subsidiair" karakter heeft, dat wil zeggen dat zij niet wordt uitgesloten door het enkele feit dat aan de verarmde een andere vordering ten dienste staat om zijn schade vergoed te krijgen. Dit geldt niet alleen indien het gaat om een andere vordering tegen de verrijkte doch moet ook gelden als het gaat om een vordering tegen een derde, aldus Asser-Hartkamp, a.w., nr. 355, waar wel wordt vermeld dat in het Duitse en het Franse recht op laatstgenoemd punt anders wordt geoordeeld. Overigens is de vraag of er voldoende verband bestaat tussen de verrijking van de een en de verarming van de ander niet altijd eenvoudig te beantwoorden. In art. 6:212 BW is geen criterium gegeven ter beantwoording van de vraag of in een bepaald geval de verrijking al dan niet ten koste van een ander is geschied; zie de Toelichting bij art. 6:212 (art. 6.4.3.1), Parl. Gesch. Boek 6, p. 829, waar wordt opgemerkt dat deze kwestie ter beoordeling van de rechter wordt gelaten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a534f97e2fe992ce7794e931a6879235ac0d812b553fe0a6b6bf508c70fe076f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a534f97e2fe992ce7794e931a6879235ac0d812b553fe0a6b6bf508c70fe076f, en de alinea staat in dat document op bytes 17540 tot 19771.