Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 oktober 1997

Alinea 71 Parket bij de Hoge Raad 1 oktober 1997

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 oktober 1997, ECLI:NL:PHR:1997:AA3285.

"(blz. 208) (...) dat, voor zover renteloze vorderingen op coöperatieve verenigingen in geding zijn, wel enige kritiek op dergelijke uitspraken mogelijk is. In fiscalibus dient immers bij de winstbepaling te worden uitgegaan van objectieve marktprijzen en niet van afwijkende verrekenprijzen. De stelling dat de gederfde rente een lid middels lagere prijzen toevalt, boet hierdoor sterk aan waarde in. (...) (blz. 209) (...) Allereerst moet worden nagegaan of een reële vordering is ontstaan. Is zulks het geval dan dient deze vordering, ook indien niet-rentedragend, op haar nominaal bedrag gewaardeerd te worden. Ontstaat geen vordering van het lid op de vereniging dan zal op het terrein van de vennootschapsbelasting gelden dat artikel 9, lid 1, letter h , geen toepassing kan vinden doch zal de heffing van inkomstenbelasting eerst plaatshebben in het jaar van realisatie van de aanspraak. (...)"

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dd80d97521d2fe17beff00626735e4378d0005884af786513d7b3db4168061d3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dd80d97521d2fe17beff00626735e4378d0005884af786513d7b3db4168061d3, en de alinea staat in dat document op bytes 25823 tot 26740.