Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 oktober 1997

Alinea 83 Parket bij de Hoge Raad 1 oktober 1997

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 oktober 1997, ECLI:NL:PHR:1997:AA3285.

"(blz. 53) (...) 2 (...) (blz. 54) (...) is het mogelijk dat de ingehouden winst wordt bijgeschreven op de algemene reserve. De coöperatie bezit juridisch de eigendom van dit vermogen. De individuele leden kunnen er persoonlijk geen rechten op doen gelden. Alleen in het geval van de coöperatie met een in aandelen verdeeld kapitaal is dit anders. Dit "dode hand"-vermogen vormt een belangrijke buffer voor het incasseren van eventuele tegenvallers. (...) (blz. 58) (...) 4.5.1 (...) Indien (...) bijschrijving geschiedt op een rekening met een vreemd-vermogenskarakter [is] Voor het lid (...) sprake van een in het kader van zijn onderneming opgekomen bate. (...) Indien er sprake is van een renteloze ledenschuldrekening zal de waarde in het economische verkeer ten minste gesteld moeten worden op de contante waarde. Waardering op nominale waarde is in dit geval echter ook verdedigbaar. De ledenschuldrekening (...) vormt een onderdeel van het complex van rechten en verplichtingen van het lid jegens de coöperatie. Door op deze wijze de coöperatie (mee) te financieren, waarborgt het lid dat hij op voor hem voordelige wijze zijn produkten via de coöperatie kan afzetten (of afnemen). (...) Indien de coöperatie aan de leden certificaten (als eigen vermogen aan te merken (...)) uitreikt als beloning voor geleverde prestaties [moet] Bij de leden (...) de waarde in het economische verkeer (...) (blz. 59) (...) in het jaar van uitkering als bate (opbrengst) in de heffing worden betrokken. (...) 4.5.3 (...) (blz. 60) (...) Bij een "gewone" coöperatie, waar het vermogen zich in de "dode hand" bevindt, (...) gaat de één-papiertje-twee-papiertje-theorie niet op. Door de bijschrijving op de ledenreserverekening krijgt het lid zelfstandige vermogensrechten, die hij voor de bijschrijving nog niet had. (...) (blz. 61) (...) Het betoog dat goed koopmansgebruik in het algemeen zou toestaan de bijschrijving te waarderen op kostprijs, zijnde nihil, is naar mijn mening onjuist. (...) 4.5.4 DE CERTIFICATENREGELING (...) Kemperink stelt, dat het "storten door de coöperatie voor het lid" een aftrekbare winstuitdeling ex art. 9, eerste lid, onderdeel h, Wet Vpb. 1969 oplevert. [De leden] zouden (...) het aan hen toegekende certificatenkapitaal mogen waarderen op kostprijs, zijnde nihil. Aldus ontstaat een bijzonder aantrekkelijk perspectief: aftrek voor de vennootschapsbelasting en pas in de verre toekomst be- (blz. 62) lastbaarheid voor de inkomstenbelasting. Het komt mij voor dat een dergelijke onevenwichtige uitkomst niet bedoeld kan zijn. (...) (blz. 64) (...) 4.5.5 (...) Naar mijn mening is het mogelijk een alternatieve financieringsvorm te vinden, waarbij de fiscale gevolgen evenwichtig zijn verdeeld en er toch geen dubbele heffing behoeft op te treden. Ik denk dan aan een renteloze ledenschuldrekening die fiscaal wordt aangemerkt als vreemd vermogen (...) (blz. 65) (...) De fiscus lijkt bereid (...) te overleggen over een zodanige inrichting van de (statutaire) leveranciers- en financieringsverplichtingen, dat voor het lid waardering op contante waarde mogelijk is. (...)"

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dd80d97521d2fe17beff00626735e4378d0005884af786513d7b3db4168061d3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dd80d97521d2fe17beff00626735e4378d0005884af786513d7b3db4168061d3, en de alinea staat in dat document op bytes 32113 tot 35238.